Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie

Geaccordeerd door sociale partners en Nederlandse Arbeidsinspectie

Gevaarlijke gassen bij vergisten

Maatregeltype / statusstempel: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Maatregeltype / statusstempel
Labels: 
veiligheid
Beschrijving van het risico: 

Bij vergistingsprocessen ontstaat biogas dat in hoofdzaak bestaat uit de componenten methaan (CH4) en koolstofdioxide (CO2), en in mindere mate ammoniak (NH3) en zwavelwaterstof (H2S). Zwavelwaterstof, ook wel waterstofsulfide (H2S) genoemd, en ammoniak zijn ontvlambare, giftige gassen die ontstaan bij (na-)vergisten, maar ook voorkomen in water- en slibstromen zoals was- en spoelwater, percolaatwater en zuiveringsslib. Deze gassen vormen een potentieel gevaar voor de operators alsmede onderhoudspersoneel van de installaties en chauffeurs.

Hoewel vergisting plaatsvindt in gesloten systemen is enige diffuse emissie of ongewild vrijkomen van deze gassen niet altijd te vermijden. Het vrijkomen van verhoogde concentraties waterstofsulfide, ook boven de gezondheidskundige grenswaarde, is voorgekomen bij vergistingsinstallaties. De gasconcentraties worden in dat geval beperkt door te zorgen voor een goed werkende afzuiging en/of voldoende ventilatie in de bedrijfsruimte. Die moet adequaat zijn afgestemd op de bijzondere eigenschappen van de componenten: CO2 en H2S zijn zwaarder dan lucht en NH3 en CH4 zijn lichter dan lucht.

Wanneer biogas wordt gebruikt om met een WKK (installatie voor warmte-kracht-koppeling) elektriciteit en warmte op te wekken, gebeurt dit bij lage druk. Bij opwerking van biogas tot groengas (aardgaskwaliteit) wordt het biogas gewassen en onder hoge druk (8 tot 12 bar) gebracht, zodat het via het aardgasnetwerk kan worden verdeeld. In enkele gevallen wordt er ingevoed op het hoge druk gasnet. In dat geval brengt een extra compressor het groengas op een druk van rond de 40 bar.

Het in het biogas aanwezige CO2 dat vrijkomt bij de opwerking van biogas naar groengas kan opgewerkt worden tot vloeibare bioCO2, zogenaamd cryogeen CO2. CO2 heeft de capaciteit om zuurstof te verdringen, wat kan leiden tot zuurstofgebrek in besloten ruimtes. De lage temperatuur van cryogeen CO2 veroorzaakt aanvullend gevaren. Enerzijds verouderen materialen versneld door verbrossing, wat kan leiden tot beschadiging van de installatie. Anderzijds zijn er ook veiligheidsrisico’s voor de persoon die met deze gassen werkt en voor de werkruimte. Mogelijke effecten zijn gasvorming, drukopbouw, omgevingstemperatuurdaling, bevriezing door vochtafzetting, en krimp van materialen. Daarnaast kan direct contact met een cryogeen leiden tot ernstige verwondingen, zoals bevriezing van huid of weefsels. Het omgaan met cryogene CO2 vereist daarom niet alleen aandacht voor de chemische eigenschappen van het gas, maar ook voor de fysische effecten van de lage temperatuur om gevaarlijke situaties te voorkomen.

Wet en regelgeving: 

Arbeidsomstandighedenwet

  • Artikel 5 Arbowet inzake Risico-inventarisatie en -evaluatie
  • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht
  • artikel 10 Arbowet inzake Voorkomen van gevaar voor derden

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 3.5a t/m 3.5f Arbobesluit inzake Explosieve atmosferen
  • Artikel 3.5g Arbobesluit inzake Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie
  • Artikel 3.6 t/m 3.9 Arbobesluit inzake Voorzieningen in noodsituaties
  • Artikel 4.1 t/m 4.7 en 4.10a t/m 4.10d Arbobesluit inzake Gevaarlijke stoffen
  • Artikel 7.1 t/m 7.16 Arbobesluit inzake Arbeidsmiddelen
  • Artikel 8.4 Arbobesluit inzake Algemene vereisten veiligheids- en gezondheidssignalering

Normen, richtlijnen en dergelijke

  • NEN 2078 Eisen voor industriële gasinstallaties
  • Publicatiereeks gevaarlijke stoffen (PGS 9): Cryogene gassen: opslag van 0,150 m3 - 100 m3
  • Arbeidsomstandighedenregeling bijlage XIII bij art. 4.19, eerste lid, en art. 4.20, eerste lid waarin opgenomen:
    Lijst wettelijke grenswaarden
  • Wettelijke grenswaarde kooldioxide (CO2): 9000 mg/m3 (5000 ppm) tijdgewogen gemiddelde 8 uur
  • Wettelijke grenswaarde ammoniak (NH3): 14 mg/m3 ( 20 ppm) tijdgewogen gemiddelde 8 uur en 36 mg/m3 (50 ppm) tijdgewogen gemiddelde over 15 minuten
  • Wettelijke grenswaarde zwavelwaterstof (H2S): 2,3 mg/m3 (1,64 ppm) tijdgewogen gemiddelde 8 uur
  • Wettelijke grenswaarde methaan (CH4): niet vastgesteld. Methaan is wel zeer brandbaar
  • Onderzoek in besloten ruimten
  • Maatregelen in besloten ruimten

Overige relevante regelgeving

Meer informatie: 
  • Vervallen: Basisinspectiemodule van Inspectie SZW bij Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie (2018)
  • Nederlandse Arbeidsinspectie: Drukapparatuur

Gevaarlijke gassen in afvalenergiecentrales

Maatregeltype / statusstempel: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Maatregeltype / statusstempel
Labels: 
veiligheid
Beschrijving van het risico: 

Op diverse plaatsen in installaties voor verbranding van afval, biomassa of slib kunnen gevaarlijke gassen aangetroffen worden. Bij verhelpen van storingen, inspecties, reparaties, schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden in bepaalde ruimten is blootstelling aan verbrandingsrook, gevaarlijke gassen en dampen niet uitgesloten. Daardoor ontstaan levensbedreigende situaties in geval van een te hoog of te laag zuurstofgehalte in de lucht, verstikking of vergiftiging door een gas. In de rookgasreiniging ontstaat ozon (O3) bij een in bedrijf staand E-filter. Bij het verladen van langdurig opgeslagen bodemas moet met het vrijkomen van H2S rekening worden gehouden. In de slakopwerkingsfabriek ontstaan zwavelwaterstof (H2S) en koolmonoxide (CO). Fosfine (PH3) reageert direct met zuurstof en is dus boven ruwe bodemas niet aanwezig; als de stof toch wordt gemeten, dan is er sprake van een verstoring in de meetmethode.

Wet en regelgeving: 

Arbeidsomstandighedenwet

  • Artikel 3 Arbowet inzake Arbobeleid
  • Artikel 5 Arbowet inzake Inventarisatie en evaluatie van risico's
  • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht
  • Artikel 15 Arbowet inzake deskundige bijstand op het gebied van Bedrijfshulpverlening

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 3.5g Arbobesluit inzake Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie
  • Afdeling 1 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit (m.u.v. art. 4.8 t/m 4.10)
  • Hoofdstuk 8 Arbobesluit inzake Persoonlijke beschermingsmiddelen

Arbeidsomstandighedenregeling

  • Artikel 4.19 en Bijlage XIII van de Arboregeling inzake Grenswaarden voor gevaarlijke stoffen
  • Artikel 4.20 en Bijlage XIII van de Arboregeling inzake Kankerverwekkende en mutagene stoffen

Normen, richtlijnen en dergelijke

Meer informatie: 
  • Werkinstructie van de Nederlandse Arbeidsinspectie: Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie - in voorbereiding; de Basisinspectiemodule (2018) is vervallen.

Valgevaar van ladder

Maatregeltype / statusstempel: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Maatregeltype / statusstempel
Labels: 
veiligheid

Het gebruik van ladders als werkplek op hoogte is niet toegestaan, tenzij het gaat om lichte en kortstondige werkzaamheden op wisselende locaties, en alleen onder voorwaarden. Mobiele ladders zijn bedoeld om een hoger (of lager) gelegen niveau te bereiken en (in principe) niet als werkplek.

Er bestaat een duidelijk verband tussen de hoogte waarvan iemand valt en de ernst van het letsel of de kans op sterfte. Uit onderzoek blijkt dat de kans op botbreuken, ernstig letsel en sterfte toeneemt bij een toenemende valhoogte. Op basis van de beschikbare kennis is er, volgens de Gezondheidsraad, geen veilige grens voor de valhoogte vast te stellen. Vallen van een hoogte lager dan 2,5 m kan namelijk ook tot (blijvend) letsel leiden. Een hoogte van maximaal 2,5 meter wordt als wettelijke norm gehanteerd, maar ook bij een lager hoogteverschil verplicht het Arbobesluit tot het nemen van maatregelen met name in geval van aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden zoals boven afval, boven water, boven uitstekende of scherpe voorwerpen, of openingen in vloeren. Bij risicoverhogende omstandigheden moet de werkgever risicobeperkende maatregelen nemen, ook bij een hoogteverschil kleiner dan 2,5 meter.

De arbeidsomstandigheden bij het gebruik van ladders zijn vaak mede afhankelijk van derden zoals opdrachtgevers, ontwerpers, werkvoorbereiders en fabrikanten van hulpmiddelen en gereedschappen.

Definitie van een ladder

De definitie van een ladder is: draagbaar klimmaterieel bestaande uit stijlen (ladderbomen), sporten en beslag. Er zijn enkele en meerdelige niet vrijstaande ladders: schuif- of optrekladders, telescopische ladders, en opsteekladders, en meerdelige vrijstaande ladders (A-ladders of reformladders) en vouwladders.

Beschrijving van het risico: 

In de afvalbranche worden mobiele ladders gebruikt om een niveauverschil te overbruggen ondermeer bij het ontstoppen of reinigen van dakgoten. Het gebruik van een draagbare ladder brengt het gevaar van vallen bij het werken op hoogte met zich mee. Bij een val kan letsel of blijvend letsel ontstaan, in het ergste geval met de dood tot gevolg. In Nederland overlijden jaarlijks gemiddeld 18 werknemers na een val van hoogte tijdens het werk en worden er 1.230 opgenomen in een ziekenhuis. Ook in de afvalbranche komt een valongeval relatief vaak voor, zo blijkt uit de ongevalsanalyse van 504 arbeidsongevallen in de periode 1998-2009. In deze periode is 22 keer een val van ladder of trap gemeld, in 3 gevallen met blijvend letsel tot gevolg.

In de afvalbranche moet voorafgaand aan het werk worden nagegaan of de voorgenomen werkzaamheid echt met een ladder moet worden uitgevoerd. Andere oplossingen dan de ladder als werkplek verdienen de voorkeur. Als er geen (operationeel-economische) belemmeringen zijn, moet worden gekozen voor het veiligste arbeidsmiddel. Een vast bordes, een hoogwerker of een steiger is vaak veiliger dan het gebruik van een ladder.

Gebruik putladder

Bij rioleringsbeheer wordt gebruik gemaakt van putladders om riolen te betreden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen putladders met (vaak) een hoge sportafstand en waarbij de afstand tussen de twee stijlen kleiner dan 28 cm is en normale ladders die tussen beide stijlen een afstand groter dan 28 cm hebben. Een putladder is uitsluitend bedoeld voor gebruik in putten en andere smalle/nauwe doorgangen. Het gebruik van een putladder is verboden in situaties waarin een normale ladder kan worden toegepast.

Verbod op gebruik van ladder

Het gebruik van een ladder is niet toegestaan indien:

  • de stahoogte van de voeten hoger is dan 7,5 m, of
  • de opgetelde (effectieve) statijd van het project is langer dan 6 uur of per persoon langer is dan 2 uur verspreid over een werkdag, of
  • de krachtsuitoefening op gereedschap groter is dan 10 kg (100 N), of
  • de reikwijdte op de ladder meer is dan 1 armlengte, of
  • als de wind harder is dan 6B in de buitenlucht; dit is krachtige wind ofwel wanneer het lastig wordt om tegen de wind in te lopen.

Het gebruik van een ladder langer dan 7,5 meter is wel toegestaan, mits dit wordt onderbouwd met een taak-risico-analyse en wordt gecombineerd met valbeveiliging.

Wet en regelgeving: 

Arbeidsomstandighedenwet

  • Artikel 3 Arbowet inzake Arbobeleid 
  • Artikel 5 Arbowet inzake Risico-inventarisatie en -evaluatie
  • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht

Arbeidsomstandighedenbesluit en -regeling

Overige regelgeving

Meer informatie: 

Graven van gasgangen

Maatregeltype / statusstempel: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Maatregeltype / statusstempel
Labels: 
veiligheid
Beschrijving van het risico: 

Op het stortterrein worden gasgangen gegraven met kranen en ander materieel. Bij het graven van een gasgang in het stortlichaam moet men altijd alert zijn dat er stortgas (biogas) kan ontsnappen, want in het stortlichaam is altijd biogas aanwezig.

Omdat stortgas sporen van organische esters, zwavelwaterstof (H2S) en andere zwavelhoudende verbindingen bevat, kan het op stortplaatsen leiden tot lokale geuroverlast. Stortgas is bovendien door de aanwezigheid van methaan één van de belangrijke veroorzakers van het broeikaseffect. Een afvalstortplaats met onttrekkingsinstallatie is daarom vanaf 1993 verplicht (stortbesluit) om het stortgasemissie te voorkomen.

De belangrijkste gevaren van stortgas zijn brand- en explosiegevaar en verstikking, vergiftiging en bedwelming. Stortgas is brandbaar als methaan en zuurstof in de goede verhouding aanwezig zijn en er een ontstekingsbron is. Als het eenmaal brandt, is de brand moeilijk uit te krijgen is. Het gevaar op ontbranding van stortgas is het grootst als er een ontstekingsbron aanwezig is in het gebied met een explosief mengsel zoals bij het afgraven van het afval op de stortplaats.

Stortgas vormt ook een gevaar voor verstikking, vergiftiging en bedwelming doordat het zuurstof kan verdrijven, maar ook door de aanwezigheid van H2S. Het werken in slecht geventileerde gebieden en bij het werken in besloten ruimten vormen hierbij het grootste gevaar tot verstikking, vergiftiging en bedwelming. Zeker in (percolaat-)putten en gangen, doordat H2S zwaarder is dan lucht en zich dus snel op laag niveau zal ophopen.

Wet en regelgeving: 

Arbeidsomstandighedenwet

  • Artikel 3 Arbowet inzake Arbobeleid
  • Artikel 5 Arbowet inzake Inventarisatie en evaluatie van risico's
  • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht
  • Artikel 15 Arbowet inzake Deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 3.5a t/m 3.5f Arbobesluit inzake Explosieve atmosferen (ATEX)
  • Artikel 3.5g Arbobesluit inzake Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie
  • Artikel 3.8 Arbobesluit inzake Brandmelding en brandbestrijding
  • Artikel 3.17 Arbobesluit inzake Voorkomen gevaar door voorwerpen, producten, vloeistoffen of gassen
  • Artikel 4.6 Arbobesluit inzake Voorkomen van ongewilde gebeurtenissen
  • Artikel 4.7 Arbobesluit inzake Maatregelen bij ongewilde gebeurtenissen
  • Artikel 8.4 Arbobesluit inzake Algemene vereisten veiligheids- en gezondheidssignalering

Overige relevante regelgeving

  • Omgevingsvergunning van het bedrijf

Normen, richtlijnen en dergelijke

Meer informatie: 

Bij vergisting

Maatregeltype / statusstempel: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Maatregeltype / statusstempel
Labels: 
veiligheid
Beschrijving van het risico: 

Bij een toenemend aantal composteringsbedrijven wordt een vergistingstap voorgeschakeld. Daarnaast zijn er ook stand-alone vergistingsinstallaties. Bij het vergistingsproces komt biogas vrij dat ontstaat als gevolg van de biologische processen. Biogas ontstaat doordat het organische deel van afval na verloop van tijd door micro-organismen wordt afgebroken tot een mengsel van methaan (CH4) en kooldioxide (CO2). Het omzettingsproces van de organische componenten zoals hout-, groente-, fruit-, tuin- en papierafval kent een aantal fasen van anaërobe afbraak. Hierbij ontstaat uiteindelijk een biogas met voornamelijk methaan (60%) en verder voornamelijk uit CO2.

De belangrijkste gevaren van biogas zijn brand- en explosiegevaar en verstikking, vergiftiging en bedwelming. Biogas is brandbaar als methaan en zuurstof in de goede verhouding aanwezig zijn en er een ontstekingsbron is. Als het eenmaal brandt, is de brand moeilijk uit te krijgen is. Het gevaar op ontbranding van biogas is het grootst als er een ontstekingsbron aanwezig is in het gebied met een explosief mengsel zoals bij biogasontrekkinginstallaties, biogasmotoren, affakkelinstallaties en transportleidingen.

Biogas vormt ook een gevaar voor verstikking, vergiftiging en bedwelming doordat het zuurstof kan verdrijven, maar ook door de aanwezigheid van zwavelwaterstof (H2S). Het werken in slecht geventileerde gebieden en bij het werken in besloten ruimten vormen hierbij het grootste gevaar tot verstikking, vergiftiging en bedwelming. Zeker in putten en gangen, doordat H2S zwaarder is dan lucht en zich dus snel op laag niveau zal ophopen.

Wet en regelgeving: 

Arbeidsomstandighedenwet

  • Artikel 3 Arbowet inzake Arbobeleid
  • Artikel 5 Arbowet inzake Inventarisatie en evaluatie van risico's
  • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht
  • Artikel 15 Arbowet inzake Deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 3.5a t/m 3.5f Arbobesluit inzake Explosieve atmosferen (ATEX)
  • Artikel 3.5g Arbobesluit inzake Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie
  • Artikel 3.8 Arbobesluit inzake Brandmelding en brandbestrijding
  • Artikel 3.17 Arbobesluit inzake Voorkomen gevaar door voorwerpen, producten, vloeistoffen of gassen
  • Artikel 4.6 Arbobesluit inzake Voorkomen van ongewilde gebeurtenissen
  • Artikel 4.7 Arbobesluit inzake Maatregelen bij ongewilde gebeurtenissen
  • Artikel 8.4 Arbobesluit inzake Algemene vereisten veiligheids- en gezondheidssignalering

Overige relevante regelgeving

  • Omgevingsvergunning van het bedrijf

Normen, richtlijnen en dergelijke

Meer informatie: 

Bij besloten ruimten

Maatregeltype / statusstempel: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Maatregeltype / statusstempel
Labels: 
veiligheid
Beschrijving van het risico: 

Brand- en explosiegevaar is een belangrijk risico bij diverse activiteiten in de afvalbranche. De oorzaken en de omstandigheden waarin gevaren ontstaan, zijn zeer verschillend. De gevolgen van brand zijn beheersbaar indien deze tijdig wordt opgemerkt en bestreden. De gevolgen van een explosie zijn vaak enorm groot met aanzienlijke schade aan installaties en incidenten met een dodelijke afloop.

Bij het werken in besloten ruimtes zoals riolen waarbij explosieve en brandbare gassen kunnen voorkomen bestaat het risico van brand- en explosie gevaar. In een afvalenergiecentrale AEC bestaat er gevaar op een brand of explosie in de afvalbunker en bij de opslag van fijn verdeeld actief kool.

Wet en regelgeving: 

Arbeidsomstandighedenwet

  • Artikel 5 Arbowet inzake Inventarisatie en evaluatie van risico's
  • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht
  • Artikel 15 Arbowet inzake Deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 3.5a t/m 3.5f Arbobesluit inzake Explosieve atmosferen
  • Artikel 3.5g Arbobesluit inzake Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie
  • Artikel 3.8 Arbobesluit inzake Brandmelding en brandbestrijding
  • Artikel 4.6 Arbobesluit inzake Voorkomen van ongewilde gebeurtenissen
  • Artikel 4.7 Arbobesluit inzake Maatregelen bij ongewilde gebeurtenissen
  • Artikel 8.4 Arbobesluit inzake Algemene vereisten veiligheids- en gezondheidssignalering

Overige relevante regelgeving

  • Omgevingsvergunning van het bedrijf

Normen, richtlijnen en dergelijke

Meer informatie: 

Oplosmiddelhoudend afval

Maatregeltype / statusstempel: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Maatregeltype / statusstempel
Labels: 
Gezondheid
veiligheid
Beschrijving van het risico: 

Bij verwerkers van gevaarlijke afvalstoffen worden oplosmiddelhoudende afvalstoffen aangeboden. De oplosmiddelen worden dan onder andere gescheiden van andere afvalstromen en opgebulkt. Oplosmiddelen zijn vluchtig waardoor deze snel in de lucht vrij kunnen komen bijvoorbeeld bij het overgieten uit de verpakking of het verpompen zonder de juiste voorzieningen. Blootstelling aan oplosmiddelen heeft effecten zoals huidaandoeningen, vergiftiging en aantasting van het zenuwstelsel; blijvende beschadiging van het zenuwstelsel wordt OPS genoemd, het organo-psycho-syndroom. Een ander gevaar van dampen van oplosmiddelen is de brandbaarheid en de kans op explosie.

Wet en regelgeving: 

 Arbeidsomstandighedenwet

  • Artikel 3 Arbowet inzake Arbobeleid
  • Artikel 5 Arbowet inzake Inventarisatie en evaluatie van risico's
  • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht
  • Artikel 15 Arbowet inzake Deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 3.5a t/m 3.5f Arbobesluit inzake Explosieve atmosferen (ATEX richtlijn) indien de toepassing blijkt uit de RI&E
  • Artikel 3.5g Arbobesluit inzake Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie
  • Afdeling 1 van hoofdstuk 4 Arbobesluit inzake Gevaarlijke stoffen (art. 4.1 t/m art. 4.7 en art. 4.10a t/m 4.10d)
  • Afdeling 7 van hoofdstuk 4 Arbobesluit inzake Vluchtige organische stoffen (art. 4.62a en 4.62b)
  • Hoofdstuk 8 Arbobesluit Paragraaf 1 inzake Persoonlijke beschermingsmiddelen (art. 8.1, 8.2 en 8.3)
  • Hoofdstuk 8 Arbobesluit Paragraaf 2 inzake Veiligheids- en gezondheidssignalering (art. 8.4)

Arboregeling

  • Artikel 4.19, 4.20 en Bijlage XIII Arboregeling inzake Wettelijke grenswaarden voor gevaarlijke stoffen
  • Artikel 8.10 en XVIII Arboregeling inzake Soorten borden

Overige relevante regelgeving

  • Omgevingsvergunning van het bedrijf
  • GHS-CLP: Classification, Labelling and Packaging of the Globally Harmonized System

Normen, richtlijnen en dergelijke

Meer informatie: 

Slecht verlichte werkplekken

Maatregeltype / statusstempel: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Maatregeltype / statusstempel
Labels: 
Gezondheid
Beschrijving van het risico: 

Om goed te functioneren heeft de werknemer een optimale hoeveelheid licht nodig: niet te veel en niet te weinig. Bij te weinig licht spant men de ogen meer in en kan men minder nauwkeurig werken. Slechte verlichting is dan ook vaak een oorzaak van hoofdpijn, oververmoeidheid en brandende ogen, en fouten.

Werken met daglicht zorgt dat we ons prettiger voelen en ’s nachts beter slapen. Goed licht op het werk is essentieel om het werk goed uit te kunnen voeren. Werken bij daglicht werkt het prettigste. Toch zijn er bedrijven waar weinig tot geen daglichttoetreding is. Daar is men (voor een deel) aangewezen op kunstlicht. De hoeveelheid licht die nodig is hangt af van de werkzaamheden en ook van de leeftijd van de medewerkers. Om het product goed te kunnen beoordelen op kwaliteit, is voldoende licht en een goede lichtkleur belangrijk. Door ongunstige lichtomstandigheden kunnen vermoeidheid, en gezondheidsklachten optreden. Het heeft ook invloed op het welbevinden en het kan onveilige situaties met zich meebrengen. Daglicht, de verlichting en verdeling van het licht over een werkplek met zijn omgeving heeft een grote invloed op hoe snel, veilig en comfortabel een werknemer een taak kan uitvoeren.

Wet en regelgeving: 

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 3.2 lid 1 Arbobesluit inzake Algemene vereisten
  • Artikel 3.7 lid 5 Arbobesluit inzake Veilig gebruik van vluchtwegen en nooduitgangen
  • Artikel 3.9 Arbobesluit inzake Noodverlichting
  • Artikel 6.3 Arbobesluit inzake Daglicht en kunstlicht
  • Artikel 6.4 Arbobesluit inzake Weren van zonlicht
  • Artikel 7.8 Arbobesluit inzake Verlichting (arbeidsmiddelen)
  • Artikel 7.17b lid 3 Arbobesluit inzake Uitrusting mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving

Overige regelgeving, normen, richtlijnen en dergelijke

  • Besluit bebouwde leefomgeving (Bbl)
  • Norm NEN-EN 12464-1:2021 nl Licht en verlichting - Werkplekverlichting - Deel 1: Werkplekken binnen
  • NSVV. Toelichting op norm NEN-EN 12464-1 Richtlijn verlichting voor industriële ruimten
  • Norm NEN-EN 12464-2:2014 en Licht en verlichting - Werkplekverlichting - Deel 2: Werkplekken buiten
  • Norm NEN 3087:2011 nl Ergonomie - Visuele Ergonomie: uitgangspunten, principes en toepassingen
  • Norm NEN 1891:2016 nl Licht en verlichting - Meten van Lichtprestaties

Bij gevaarlijk afval

Maatregeltype / statusstempel: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Maatregeltype / statusstempel
Labels: 
veiligheid
Beschrijving van het risico: 

Ontvlambare afvalstoffen staan bij de ontdoener opgeslagen in een opslagplaats die voldoet aan de PGS-richtlijnen waaronder PGS 15 voor verpakte stoffen. Het afval moet uit deze opslag in het inzamelvoertuig komen. Bij deze verplaatsing kunnen brandbare dampen vrijkomen. Bij de verwerker moeten de afvalstoffen weer gelost worden uit het voertuig naar een opslag of rechtstreeks in de installatie. Bij deze verplaatsingen kunnen brandbare dampen vrijkomen. Ook bij de Milieustraat zijn situaties waarin brandbare dampen of gassen kunnen vrijkomen.

Brandbare dampen kunnen bij de juiste temperatuur (afhankelijk van de stof) door een ontstekingsbron tot ontbranding komen en zelfs een explosie tot gevolg hebben. Er zijn veel mogelijke ontstekingsbronnen. Hierbij moet worden gedacht aan:

  • open vuur
  • sigaret
  • statische elektriciteit
  • verbrandingsmotor van voertuigen
  • vonken door botsen van metalen
  • vonken door in- of uitschakelen elektrische apparaten
  • vuurwerkresten
  • batterijen (lithium)
Wet en regelgeving: 

 Arbeidsomstandighedenwet

  • Artikel 3 Arbowet inzake Arbobeleid
  • Artikel 5 Arbowet inzake Inventarisatie en evaluatie van risico's
  • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht
  • Artikel 15 Arbowet inzake Deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 3.5a t/m 3.5f Arbobesluit inzake Explosieve atmosferen (ATEX)
  • Artikel 3.5g Arbobesluit inzake Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie (van toepassing in geval van besloten ruimten)
  • Artikel 3.8 Arbobesluit inzake Brandmelding en brandbestrijding
  • Artikel 4.6 Arbobesluit inzake Voorkomen van ongewilde gebeurtenissen
  • Artikel 4.7 Arbobesluit inzake Maatregelen bij ongewilde gebeurtenissen
  • Artikel 7.4a Arbobesluit inzake Keuringen
  • Artikel 8.4 Arbobesluit inzake Algemene vereisten veiligheids- en gezondheidssignalering

Overige relevante regelgeving

Normen, richtlijnen en dergelijke

Meer informatie: 

Broeibrand

Maatregeltype / statusstempel: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Maatregeltype / statusstempel
Labels: 
veiligheid
Beschrijving van het risico: 

Uit inventarisatie binnen de afvalbranche blijkt dat er twee belangrijke oorzaken zijn van het ontstaan van branden bij afvalbedrijven, te weten:

  1. de ontwikkeling van warmte in afvalhopen oftewel broei, en
  2. de aanwezigheid van ongewenste ontvlambare materialen in het afval.

Door het hele jaar ontstaan bij afvalbedrijven branden. Tijdens de zomer, van april tot september, is er een kleine toename in de statistieken (seizoensinvloed).

Ontvlambare materialen die ongewenst in het afval voorkomen zijn bijvoorbeeld spuitbussen, accu's, lithium-batterijen, en de nog warme as van een barbecue of vuurkorf. Dergelijke afvalstoffen moeten daarom via aparte afvalstromen worden aangeboden.

Met name afvalstromen met organisch materiaal bouwen warmte op. Als organisch afval voor een langere tijd wordt opgeslagen, kan de temperatuur door biologische activiteit stijgen ten gevolge van microbiële processen, waardoor het vochtgehalte van het materiaal afneemt. De temperatuur in organisch materiaal is meestal hoger dan die van de buitenlucht. Bij een temperatuur in organisch materiaal hoger dan 70 °C is het risico op het ontstaan van een zogenaamde broeibrand verhoogd. Als de temperatuur tot boven de 90 °C stijgt, bestaat de kans op zelfontbranding van het materiaal.

Volgens experimenteel onderzoek van KEMA is het gevaar voor een broeibrand bij een vochtgehalte van onder de 20 %RV (relatieve vochtigheid) minimaal. Een vochtgehalte tussen de 20 en 50 % geeft bij veel materialen het risico dat broei kan ontstaan; het vochtgehalte waarbij broei ontstaat, is afhankelijk van het soort materiaal. Bij homogene biomassa, zoals houtchips, is het gevaar voor broeibrand minimaal bij een vochtgehalte onder de 20 %. In niet-homogeen materiaal, zoals groenafval, bestaan vochtige naast drogere plekken en is de kans op broei vooral aanwezig wanneer grof materiaal uitgedroogd raakt en het vochtgehalte daalt onder 40 %. Daarom moeten sommige afvalstromen op een droge plek worden opgeslagen om te voorkomen dat ze vochtig worden.

De factor tijd speelt een heel belangrijke rol bij het ontstaan van een broei. Hoe langer een broei-gevoelige afvalstof ligt te wachten op transport en/of verwerking, hoe hoger de temperatuur wordt, hoe groter de kans op het ontstaan van broeibrand is. Als broei eenmaal tot ontbranding komt, ontwikkelt de brand zich meestal snel, zeker als het materiaal is uitgedroogd. Als er vervolgens zuurstof toetreedt, zoals bijvoorbeeld tijdens het ontgraven van het afval, dan kan het vuur zich snel verspreiden. Een bijkomend risico van broeibrand is het vrijkomen van koolmonoxide vanwege onvolledige verbranding van het afval.

Tot slot speelt de factor druk een rol. Hoe hoger de berg afval, hoe hoger de druk, hoe groter de kans op broei. Daarom mogen afvalhopen niet hoger dan 4 meter zijn; vaak is deze maximale hoogte opgenomen in de vergunning van het afvalbedrijf.

Inzamelen, Milieustraat en Bewerken

Bij het inzamelproces kan een broeibrand ontstaan onder andere wanneer een broei-gevoelige afvalstof al gedurende een langere periode bij de ontdoener heeft gelegen, alvorens die wordt ingezameld. Ook op een verwerkingslocatie kan broeibrand voorkomen in de opslag van het afval of in de sorteerhal. De opslag van vuile poetsdoeken met (plantaardige) oliën en matrassen vormt een bekend risico.

Composteren

Tijdens het composteringsproces treedt per definitie broei op, omdat dit het principe van composteren is. Er bestaat altijd kans op broeibrand op plaatsen waar veel grof organisch materiaal aanwezig is, waardoor een sterke natuurlijke trek optreedt (schoorsteeneffect). Na het composteerproces kan broeibrand met name optreden in de opslag van de zeefoverloop.

Verbranden

Bij een afvalenergiecentrale kan broeibrand voorkomen in de opslag van aangevoerd afval in de afvalbunker. Zowel organisch materiaal als een chemische reactie zijn een gevaar voor het ontstaan van brand.

Storten

Op stortplaatsen ontstaat de kans op broeibrand op plaatsen met een laag vochtgehalte in een stortlichaam waar, bij grove delen, het zogenoemde schoorsteeneffect aanwezig is.

Wet en regelgeving: 

Arbeidsomstandighedenwet

  • Artikel 3 Arbowet inzake Arbobeleid
  • Artikel 5 Arbowet inzake Inventarisatie en evaluatie van risico's
  • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht
  • Artikel 15 Arbowet inzake deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 3.8 Arbobesluit inzake Brandmelding en brandbestrijding
  • Artikel 4.6 Arbobesluit inzake Voorkomen van ongewilde gebeurtenissen
  • Artikel 4.7 Arbobesluit inzake Maatregelen bij ongewilde gebeurtenissen
  • Artikel 8.4 Arbobesluit inzake Algemene vereisten veiligheids- en gezondheidssignalering
Meer informatie: 
  • Wetenschappelijk artikel Self heating in yard trimmings, 2002 waarin het principe van het ontstaan van broeibrand in groen tuinafval wordt beschreven
  • Onderzoeksrapport Broei bij biomassa; experimenteel onderzoek en modellering, C.H. Gast, P. van Woesik en H.M. Weijers, KEMA Power Generation & Sustainables, Arnhem, 16 september 2004

Pagina's